The Internet of Things, maar dan buiten…

We kunnen natuurlijk niet wachten tot de koelkast de zelfrijdende auto vraagt een pak melk bij de supermarkt te gaan halen, maar dat zal nog wel even duren. Tenslotte zijn ook die jetpacks uit mijn jeugd nog niet algemeen beschikbaar. Toch is er reden tot haast als het om het Internet of Things gaat, niet alleen om binnenshuis energie te besparen, maar ook en vooral buiten: we moeten onze omgeving beter begrijpen. De uitdagingen zijn enorm als het gaat om voedsel, water, energie en klimaat, en die uitdagingen zullen in belangrijke mate binnen een generatie opgelost moeten worden. In navolging van mijn collega Pieter van der Zaag denk ik dat die oplossingen locatiespecifiek en data-intensief zullen zijn. De trend over de afgelopen dertig jaar was een scherpe vermindering van het aantal meteorologische en hydrologische waarnemingen. Deze trend zal moeten worden omgekeerd. Weliswaar worden we zeer geholpen door satellietwaarnemingen, maar voor zaken als wind, regen en luchtvochtigheid zijn grondwaarnemingen onontbeerlijk.

Twintig jaar geleden was men wat overoptimistisch met Smart Dust. Dit zou bestaan uit een enorm aantal kleine apparaatjes ter grootte van een kubieke millimeter, die minder dan een cent kostten, hun eigen energiebron hadden en die konden communiceren met hun buren. Zwermen Smart Dust zouden over het slagveld uitgestrooid worden, zodat men niet vast zou komen te zitten in modder of los zand. Waarschijnlijk wilde men ook nog wel wat andere ongemakken die oorlog vaak met zich meebrengt waarnemen, zoals de aanwezigheid van gifgas of vijanden. Er is weliswaar vooruitgang geboekt, maar de stand van zaken is dat we nu minstens € 500 moeten betalen voor een autonome meeteenheid ter grootte van een melkpak, die bovendien zorgvuldig moet worden geïnstalleerd en die verre van onderhoudsvrij is. Er is een veelheid aan datastandaards en communicatieprotocollen.

Het idee is nu om bestaande technologie in te zetten om goedkope (minder dan € 10? minder dan € 1?) autonome sensoren te bouwen die via het internet de toestand van onze omgeving in kaart brengen. Ze hebben de afmeting van een luciferdoosje en zijn grotendeels biologisch afbreekbaar. Dit zal de weg openen om op een kostenefficiënte manier gewassen te monitoren en tijdig van water en nutriënten te voorzien. Weersvoorspellingen zullen verbeteren, vooral op plaatsen waar nu weinig waarnemingen zijn. Ons watersysteem zal veiliger worden en beter gemanaged worden, met minder kosten. Er zal nog meer nodig zijn om de huidige uitdagingen te tackelen, maar dit idee zal een onontbeerlijk onderdeel van de oplossing zijn.

 

 

 

Nick van de Giesen is hoogleraar Waterbeheer aan de Technische Universiteit Delft. Zijn onderzoek richt zich op nieuwe sensoren en waarnemingsnetwerken.