Tegendraadse jongeren? Ideologiecritici anno 2014

Stel, we stappen een willekeurige schoolklas binnen en maken kennis met alle leerlingen. De kans is heel groot dat zeker twee à drie van de twintig leerlingen een label hebben voor een psychiatrische stoornis, zoals ADHD of een stoornis in het autistische spectrum. Het is nog nooit in de geschiedenis voorgekomen dat zoveel kinderen zo’n diagnose krijgen. Vaak is de diagnose terecht en krijgt een kind door de diagnose gepaste hulp. Al te vaak kunnen we echter vragen stellen bij zo’n diagnose: werpt ze een licht op de pathologie bij het kind? Of signaleert ze vooral een mismatch tussen kind en omgeving?

Ons denken over onderwijs is de voorbije decennia sterk veranderd. We beschouwen het als een heel planmatig proces, waarbij lange lijsten leerdoelen met aangepaste werkvormen gerealiseerd moeten worden. Dergelijk planmatig onderwijs impliceert een beeld over de ideale leerling: het is het kind dat stil zit, aandachtig luistert, op het juiste moment reageert, en zich aan alle afspraken houdt. Sommige kinderen gedijen heel goed in dit systeem en krijgen ongeziene kansen om prima te presteren. De leerkracht is binnen dit onderwijsmodel vooral klasmanager. Hij of zij moet er vooral voor zorgen dat alle leerlingen alle competenties tijdig verwerven. Deze aanpak vergt een enorme doelgerichtheid en verwacht veel concentratie en rust van leerlingen. Degenen die zich daar minder aan houden, worden snel ervaren als storend. Leerkrachten hebben immers geen tijd te verliezen. Vaak vinden ze het moeilijk om doelgerichtheid te combineren met aandacht voor specifieke noden en vragen bij kinderen.

Een grote groep leerlingen heeft het knap lastig met die planmatige aanpak. Ze vallen op omdat ze de gevraagde concentratie en rust moeilijk kunnen waarmaken en storen de groep. Sommigen haken radicaal af en verlaten vroegtijdig de school. Anderen klampen aan, maar krijgen psychiatrische labels die ‘verklaren’ waarom ze niet naar behoren functioneren. De criteria die professionals gebruiken om diagnoses als ADHD vast te stellen, zijn heel normatief en brengen het perspectief van het kind amper in rekening. Aandacht voor de mismatch tussen kind en onderwijscontext is er nauwelijks, en men twijfelt nauwelijks over het systeem.

De groep van leerlingen met een stoornis en de afhakers uit ons onderwijssysteem zijn de ideologiecritici van ons onderwijs. Zij maken ons duidelijk dat ons samenlevings- en onderwijssysteem neveneffecten heeft die we onvoldoende herkennen en erkennen. Collectief luisteren we te weinig naar wat zij te vertellen hebben over het systeem waarbinnen ze zo moeilijk hun draai vinden.

 

 

 

Stijn Vanheule is klinisch psycholoog en psychoanalyticus. Hij is als universitair hoofddocent verbonden aan Universiteit Gent en voorzitter van de vakgroep psychoanalyse en raadplegingspsychologie. Hij is onder meer auteur van de boeken Psychose anders bekeken – Over het werk van Jacques Lacan (Lannoo Campus, 2013) en Psychodiagnostiek anders bekeken – Kritieken op de DSM – Een pleidooi voor functiegerichte diagnostiek (Lannoo Campus, 2014).