Sociale economie, versie 2.1

Overheden besparen tegenwoordig nogal eens op cultuuruitgaven en geven daarbij vaak het marsorder dat de kunstensector ‘marktconformer’ moet werken. Toen de Université Libre de Bruxelles hem in september 2014 een eredoctoraat uitreikte, bepleitte Peter de Caluwe precies de omgekeerde gedachte. Tegenover de toenemende economisering van de cultuursector plaatste de directeur van operahuis De Munt het perspectief van een meer culturele opstelling binnen de economische wereld. En neen, hij doelde daarbij helemaal niet op het profijtgerichte samengaan van cultuur en economie binnen de door beleidsmakers doodgeknuffelde creative economy.

De Caluwe heeft een veel beter idee: de gangbare markeconomie kan nog heel wat opsteken van de manier waarop bijvoorbeeld een opera tot stand komt. Zo’n creatieproces lukt enkel wanneer een professioneel bontgekleurd geheel van mensen intens samenwerkt vanuit de collectieve betrokkenheid op een onzeker eindresultaat. Onderlinge conflicten worden niet onder de mat geveegd, maar aan het einde van de rit is er wel de saamhorigheid waarzonder je gewoonweg geen goede opera hebt. ‘Waarom zou een moderne, participatieve democratie dat model van harmonie niet kunnen omarmen als alternatief voor het conflictmodel waarin we verzeild zijn geraakt?’ zo vraagt De Caluwe zich terecht af.

Werken is in almaar meer sectoren vooral samenwerken. Zonder een minimum aan gemeenschappelijke gerichtheid op een mogelijk interessant eindresultaat is er geen goed draaiend laboratorium, geen sprankelend ontwerp- of architectenteam, en geen innovatieve film- of televisieproducties. Samenwerking is inderdaad een cruciale productiefactor in – vooruit dan maar – de tegenwoordige creatieve economie.

De romantische geniegedachte wordt stilaan voorgoed verleden tijd: twee weten meer dan één, en vooral de uitwisseling met anderen stimuleert de eigen creativiteit. Daarom spreken zelfs gepatenteerde neomarxisten als Michael Hardt & Antonio Negri in hun gelijknamige boek over de common wealth: een zowel sociale als individuele rijkdom die enkel in en door coöperatieve arbeid ontstaat.

Intrinsiek sociale kunstvormen houden de bestaande creatieve economie een spiegel voor. Tegelijk werken ze als een utopisch appèl: dat is de simpele maar verreikende – en ook verrijkende – pointe van De Caluwes betoog. Samen opera, dans, muziek of film maken is helemaal geen wrijvingsloos gebeuren. Maar het co-creëren verloopt vaak wel beduidend minder competitief en sociaal harmonieuzer dan wanneer enkel het streven naar winst of omzet de toon zet. In de kunstensector tekent zich zo het model van een échte sociale economie af. Die koppelt productiviteit aan dialoog vanuit het besef dat gelijkwaardig samenwerken betere en duurzamere artefacten oplevert dan elkaar tegenwerken. Economische en sociale rationaliteit zijn kortom niet noodzakeljk antipoden, quite the contrary.

 

Rudi Laermans is hoogleraar sociologische theorie aan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de KU Leuven en leidde daarbinnen lange tijd het Centrum voor Cultuursociologie. Voorjaar 2015 verschijnt bij Valiz (Amsterdam) zijn boek Moving Together, waarin hij uitgebreid ingaat op de praktijk van artistieke samenwerking binnen de hedendaagse dans.