Licht in de concertzaal

Wat maakt het zo leuk om deel uit te maken van een publiek? Er is iets diep bevredigends aan het samenzijn met mensen om gezamenlijk iets te ervaren. Met name in de kunsten, zoals in het theater of bij een concert, komen we in aanraking met het spontane en steeds weer unieke ‘lichaam’ dat wij een publiek noemen. Concertzalen vullen zich soms meerdere malen per dag met een groep individuen, die na enige tijd beginnen samen te smelten, zonder elkaar te hoeven kennen. Wie deel is van een publiek gaat zich anders voelen, ander gedrag vertonen, gaat een proces in dat verrijkend is, en niet alleen vanwege datgene wat er te zien of te horen is op het podium.

Een publiek is een creatief lichaam, en het zou als zodanig moeten worden benaderd.

Historisch gezien is het publiek altijd beschouwd op basis van de uitersten van verachting en verheerlijking, en dat is in feite nog steeds zo. Hoewel de concertzalen niet zouden bestaan zonder dat de stoelen worden gevuld, gaat de belangstelling voor het publiek vaak niet verder dan de loutere constatering dat er publiek is. En niet ten onrechte, wellicht, want publieken zijn anoniem, vervangbaar, gezichtloos, verachtelijk en potentieel zelfs demonisch. Aan de andere kant is het publiek het voertuig van angelieke voorstellingen, zoals die van de ideale gemeenschap, de belichaming van waarheid en rechtvaardigheid, en van verlossende instemming.

Geen van deze extremen zijn een gezonde basis om het creatieve vermogen van publieken te erkennen en te leren kennen.

Hoewel de cultuursector in toenemende mate inzet op publieksbereik en publiek draagvlak, en culturele instellingen alles uit de kast halen om hun publieken tot object te maken van monitoring, segmentatie, en tracking, heeft het tot nu toe ontbroken aan echte belangstelling om het publiek als creatieve factor in beeld te brengen. Het gevolg is dat wij hoege-naamd niets weten over wat er tijdens concerten in de zaal gebeurd, ook al is dat artistiek en zakelijk nu juist het moment waarop de meest relevante informatie wordt geproduceerd. Zodra het zaallicht dooft, dooft ook onze kennis. Wij lijken ons in meerderheid bij deze historisch gegroeide duisternis met betrekking tot onze cultuurervaring neer te leggen.

In 2014 is in het Concertgebouw door mij een onderzoek gestart naar de vraag of deze vorm van halfgewilde onwetendheid in de podiumkunsten het hoofd kan worden geboden. Wat zou er gebeuren als je luisteraars tijdens het concert de mogelijkheid biedt om het dynamische web van affectieve, cognitieve, sociale, en muzikale relaties dat wij ‘publiek’ noemen, in beeld te brengen? Zou dit niet er toe kunnen leiden dat luisteraars niet langer verveeld worden met theatraliserende ingrepen in de concertvorm, maar toegerust met nieuwe middelen de diepte van hun ervaring inzichtelijk en deelbaar maken? Zouden we dan ontdekken dat de connectiviteit die het klassieke concert begin negentiende eeuw uitvond, onverwacht veel te maken heeft met de digitale connectiviteit die het vandaag angstvallig buiten de deur houdt?

Het licht in de duisternis van de concertzaal zou een nieuwe stroom van data, inzicht, kennis, en zelfkennis op gang brengen die het muziekleven en de wetenschap ten goede kan komen. Laten we het publiek serieuzer nemen dan het zichzelf op dit moment neemt – of dan het zich genomen voelt.

 

Sander van Maas is hoofddocent Musicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder was hij verbonden aan de Universiteit Utrecht, Boston University en Harvard. Hij schreef The Reinvention of Religious Music: Olivier Messiaen’s Breakthrough toward the Beyond en stelde verschillende boeken samen. Hij is de oprichter Esthetica: Tijdschrift voor Kunst en Filosofie. Hij werkt ook als consultant voor verschillende culturele instellingen in Europa.