Het recht wordt echt gebeten door een kat

‘Meten is weten’, en ‘Testen is verpesten’ geeft in populaire termen eigenlijk een van de allermooiste problemen uit de kwantummechanica weer. We gaan even terug naar 1926 toen Heisenberg zijn onzekerheidsrelatie publiceerde: je kunt niet tegelijkertijd de exacte positie en de exacte snelheid van een gegeven deeltje weten (door de meeting van het éne verstoor je de meting van het andere). Daar kwam een oplossing voor (Bohr/Heisenberg): een kwantumtoestand is een combinatie van positie en snelheid en is dus geen exacte beschrijving van het gedrag van het deeltje, immers: de kwantummechanica beschrijft het universum in termen van een gegeven begintoestand en de mogelijke toestanden waarin het universum zich vanuit die toestand verder ontwikkelt. Populair gezegd: een deeltje bestaat pas als ik het kan zien/meten.

Schrödinger stelde het volgende gedachtenexperiment voor om aan te tonen dat die onzekerheid dus nooit weggenomen kan worden. Hij stelde voor om een kat in een stalen doos op te sluiten met een gif dat zich alleen zou verspreiden wanneer er zich in de doos een bepaalde atomaire toestand zou voordoen. Weet nu de waarnemer of de kat dood is als gevolg van het al of niet intreden van die atomaire toestand? Logischerwijs is er voor de kat geen enkele onzekerheid of hij nog leeft of dood is. Onzekerheid zit dus alleen in de waarnemer. Mooi hè?

Maar nu terug naar de (dode) kat. Oostenrijkse fysici hebben diezelfde kwantumwetten gebruikt om een spookportret van de denkbeeldige kat te maken. Daarbij valt de ene helft van paren lichtdeeltjes op een poezenstempel (en niet in de camera) en de andere helft direct in de camera (maar niet op het papier).


Omdat kwantumparen met elkaar verbonden blijven, ontstaat er toch een afbeelding. We zien dus een afbeelding zonder dat we direct de afbeelding op papier zien.

Alle huidige vormen van telecommunicatie zijn slechts mogelijk indien in de fysieke wereld een werkelijke verbinding (of als circuit of als pakket) bestaat/aanwezig is. Met het bovenstaande bewijs van ‘teleportatie’ is er niet langer een fysieke verbinding nodig. Daarmee krijgt het recht met de grootste uitdaging ooit te maken. De causale relatie, zeer nodig voor juridische aspecten, raakt weg. Het leveren van bewijs wordt vrijwel onmogelijk omdat er geen ‘sporen’ in een netwerk achterblijven. Dat lijkt me heel goed nieuws voor onze privacy. Maar of het goed nieuws is voor een bestuurbare en kenbare samenleving vraag ik me af. Ik beschouw dit bewijs van de Oostenrijkers als het beste idee van 2014 en voor het recht één van de grootste uitdagingen voor de komende decennia. Teleportatie maakt juridische beschikkingsmacht en fysieke zeggenschap ongrijpbaar. Voorwaar een enorme juridische uitdaging.

 

 

Jan Smits studeerde rechten aan de Universiteit van Tilburg, de RU Nijmegen en zes jaar Juridische Informatica aan de Utrechtse Universiteit. Vanaf 1 september 1992 is hij (deeltijd)hoogleraar Recht & Techniek aan de Technische Universiteit Eindhoven. Daarnaast is hij mede-eigenaar van het consultancybedrijf 2knowit en het muziekrechtenbedrijf VillaMusicRights.