Efficiënter financieren van wetenschappelijk onderzoek: de Hongaarse aanpak

Wetenschappers wisten het al: het Nederlandse Wetenschapsbeleid is volkomen ontspoord (zie het artikel van Willem Trommel uit de Volkskrant van 06/09/14: "Wetenschapsselectie van de NWO is ontmoedigende farce").
Voor wetenschappelijk onderzoek is geld nodig. Naast de middelen die universiteiten direct van de minister van onderwijs krijgen (eerste geldstroom), wordt het geld voor wetenschappelijk onderzoek indirect verdeeld via stichtingen voor de tweede geldstroom, zoals bijvoorbeeld de NWO (Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) en de STW (Stichting voor Technisch Wetenschappelijk onderzoek). Tenslotte is er nog de derde geldstroom: het bedrijfsleven.
Mogelijkheden genoeg, dus wat is dan het probleem? Kort samengevat: er is veel te weinig geld en het geld dat beschikbaar is wordt niet efficiënt gebruikt.
Vroeger (lees, zo’n 30 jaar geleden) hadden de universiteiten zelf voldoende middelen om hun onderwijs en onderzoek te bekostigen. Dat is anno 2014 wel anders. De onderwijsdruk is fors toegenomen door de flinke toename van het aantal studenten dat tegenwoordig naar de universiteit gaat en de eveneens flinke toename van de bureaucratie rondom het onderwijs. Doordat docenten slechts een gedeelte van hun tijd kunnen besteden aan onderzoek, drijft ons wetenschappelijk onderzoek voornamelijk op de bijdragen van promovendi en postdocs. Waren er vroeger voldoende middelen om promovendi en postdocs aan te stellen uit de eerste geldstroom, tegenwoordig moeten deze plaatsen nagenoeg geheel worden bekostigd uit de tweede en derde geldstroom. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft echter de neiging alleen maar te investeren wanneer het er op redelijk korte termijn commercieel voordeel in ziet, terwijl wetenschappelijk onderzoek een avontuur voor de lange termijn is. Een promotietraject duurt minstens vier jaar en voor het bedrijfsleven is dat een eeuwigheid. De tweede geldstroom is derhalve een van de weinige bronnen die men nog kan aanspreken voor het subsidiëren van wetenschappelijk onderzoek. Er zijn daarom heel veel aanvragen, en, omdat ook hier de middelen beperkt zijn, worden de meeste aanvragen afgewezen, ook al zijn die veelal van uitstekende kwaliteit. De competitie is groot, slechte aanvragen zijn er al lang niet meer. Steeds meer werk wordt daarom geïnvesteerd in een aanvraag om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken. De investeringen die gaan zitten in het aanvragen en selecteren van de projecten staan in geen verhouding tot het geld dat in totaal verdeeld kan worden. Daarnaast heeft dit systeem als nadeel dat onderzoekers op zeker gaan spelen. Een aanvraag op een gebied waarin men de sporen al heeft verdiend, heeft meer kans op honorering dan een aanvraag op een grensverleggend gebied.
De oplossing ligt voor de hand: het huidige systeem is doorgeschoten en als de minister niet meer geld beschikbaar stelt voor de tweede geldstroom kan men het beter direct doorsluizen naar de universiteiten zoals men dat vroeger ook al deed. Op die manier kan het geld in ieder geval weer effectief worden besteed aan het wetenschappelijk onderzoek zelf.
Om de samenwerking tussen universiteit en bedrijfsleven te bevorderen kan men iets leren van de Hongaarse aanpak. Een bedrijf kan daar 1% van de belasting die men moet betalen houden, mits men datzelfde bedrag beschikbaar stelt aan een universiteit voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het geld is men, linksom of rechtsom, kwijt. Maar, door met de universiteiten te onderhandelen kan een bedrijf er voor zorgen dat met het geld (toegepast) wetenschappelijk onderzoek wordt verricht waar men op lange termijn iets aan zou kunnen hebben. De overheid zou een dergelijke samenwerking nog verder kunnen stimuleren door een extra bedrag bij te dragen. De Hongaarse aanpak is een eenvoudige manier om, zonder veel overhead, echte samenwerking tussen universiteit en bedrijfsleven tot stand te brengen.

 

 

Prof. dr. ir. Rinus Plasmeijer is als hoogleraar Informatica verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen (RU). Hij is expert op het gebied van Software Technologie en internationaal bekend door zijn werk op gebied van Functionele Programmeertalen, in het bijzonder als de ontwerper van de functionele taal Clean. Tegenwoordig houdt hij zich bezig met Domein Specifieke Programmeer Talen (ingebed in Clean), zoals Taak Georiënteerde Talen.