Een bittere pil

In 2014 verdient Jan Modaal netto zo’n € 1900 per maand. Een groot deel daarvan gaat op aan wonen en leven, eten en drinken, gas, water en elektriciteit. De familie Modaal wil ook op vakantie, en dan is er nog de zorgpolis die Jan en zijn vrouw een slordige € 200 kost. Gelukkig zijn de kinderen gratis meeverzekerd, want het is best knokken om iedere maand de eindjes weer aan elkaar te knopen.
 
In 2014 staan er op de lijst met dure geneesmiddelen meer dan vijftig middelen tegen kanker. Die lijst wordt steeds langer. ‘Duur’ wil zeggen dat het middel meer dan € 10.000 per patiënt per jaar kost. Er staan ook middelen tussen die € 2.500 of € 5.000 per maand kosten, zoals Lapatinib en Vemurafenib.
 
Jan Modaal kan die middelen niet betalen. En gelukkig hoeft dat ook niet. Want mocht Jan kanker krijgen, dan betaalt zijn zorgverzekeraar alle kosten. Jan hoeft niet zijn hele salaris bij het ziekenhuis in te leveren, en hij hoeft ook geen beroep te doen op de buurman.
 
Maar op macroniveau gebeurt dat natuurlijk wel, ook al is het een beetje onzichtbaar. Per kankerpatiënt die dure medicijnen krijgt worden er één of twee modale salarissen aan de economie onttrokken. Dit gaat goed zo lang er niet te veel kankerpatiënten zijn.
 
Maar in 2014 komen er iedere maand 8000 kankerpatiënten bij. En dit aantal neemt de komende jaren verder toe. Wanneer voor al deze patiënten een duur kankermiddel beschikbaar zou zijn, dan zijn er maandelijks zo’n tien- tot twintigduizend extra modale salarissen nodig om dat te kunnen betalen. In januari gaan bijvoorbeeld alle werknemers die in Putten of De Bilt wonen hun hele salaris voor de kankerzorg inzetten, en in februari komen daar de werknemers uit Heerenveen of Goes bij. En in maart… Iemand hoeft geen economie gestudeerd te hebben om in te zien dat dit niet altijd door kan gaan. Het houdt een keer op. Maar wanneer? Waar ligt de grens? Het is een terechte vraag, maar in 2014 loopt bijna iedereen er voor weg.
 
Gelukkig duren die kuren niet eindeloos. Maar dat heeft ook een bittere kant. Want vaak werken die medicijnen niet, of hooguit een beetje. Gemiddeld blijft de levensverlenging beperkt tot een maand of drie. De kankermiddelen zijn dus niet alleen duur, maar voor veel geld leveren ze ook nog eens weinig op. Drie maanden voor tachtigduizend euro. Gemiddeld, want er zijn ook patiënten die helemaal beter worden. Alleen weet je van te voren niet wie dat zijn.
 
Stel nu eens dat die € 80.000 op uw bankrekening wordt gestort en u zelf mag weten wat u ermee gaat doen. U mag het dure kankermiddel kopen, maar u kunt het geld ook aan uw studerende kinderen geven, of aan de kerk. U kunt toch nog die wereldreis maken of zonder ze gezien te hebben al het geld wegschenken aan weeskinderen in Afrika. Of…, wat u ook wenst. Wat gaat u doen? U zegt: ‘ik ga toch voor die behandeling, want misschien behoor ik tot de weliswaar kleine groep patiënten die toch beter wordt.’ Het is uw goed recht, niemand zal u erop aanspreken. Maar misschien zegt u: ‘het is een bittere pil, maar ik besteed het geld toch liever op een andere manier.’ Is dat het geval, dan heeft u een grens gesteld aan wat gezondheidswinst mag kosten. En hebt u antwoord gegeven op de vraag waarvoor bijna iedereen wegloopt.
 
Bijna iedereen. Want in juni 2014 adviseerde de Signaleringscommissie Kanker (SCK) van KWF Kankerbestrijding het volgende: “De SCK meent dat het onontkoombaar is dat Nederland een (flexibele) grens bepaalt voor kosten van een behandeling gerelateerd aan gezondheidswinst. Ze adviseert de minister daarom een commissie in te stellen die binnen een half jaar een voorstel doet over het maximale bedrag van een behandeling.”
 
Het is een bittere pil, maar niet minder het beste idee van 2014.
 
 

Prof. dr. Johan Polder is als gezondheidseconoom verbonden aan het RIVM te Bilthoven en de Universiteit van Tilburg.