Betrouwbare informatie

Begin 2014 had ik in het Amsterdamse Krasnapolsky een uitgebreid gesprek met Amartya Sen, de winnaar van de Nobelprijs Economie 1998 en een van de meest invloedrijke publieke intellectuelen van de voorbije decennia. In zijn ontwikkelingseconomie staat de capaciteit van mensen om zelf hun toekomst te kiezen centraal. Daarom vroeg ik hem, na pakweg zestig jaar van actief onderzoek op terreinen die variëren tussen econometrie en fundamentele ethiek, culturele kritiek en ontwikkelingseconomie, Europees beleid en Aziatische ambities, wat hij geleerd heeft over de manier waarop mensen keuzes maken. ‘Dat informatie van cruciaal belang is om redelijke keuzes te maken’, reageerde Sen. ‘De mensheid heeft een enorme capaciteit om na te denken en te redeneren, ook de allerarmste, ongeschoolde en ongeletterde mensen – op voorwaarde dat ze beschikken over ernstige en toereikende informatie.’

Amatya Sen gaat zowel in zijn magnum opus Het idee van rechtvaardigheid als in India. An Uncertain Glory uitgebreid in op de cruciale rol die media zouden moeten spelen om tot een rechtvaardigere samenleving te komen. Maar zijn media nog wel in staat die rol te spelen in een toenemend commerciële omgeving? Sen denkt van wel. Hij ziet de problemen wel die samenhangen met commercialisering en dan vooral het belang van advertenties in het businessmodel, maar hij gelooft dat de onderlinge concurrentie tussen media ook heilzame effecten kan hebben. Media moeten ervoor zorgen dat een redelijk en goed onderbouwd publiek debat over relevante onderwerpen mogelijk is en ook effectief plaatsvindt.

Dat is geen nieuwe idee, het is een oude overtuiging. Toch wil ik haar nomineren als het beste idee dat 2014 nodig heeft.

De manier waarop overheden, rebellen, internationale zetbazen en lokale oorlogsprofiteurs de waarheid dit jaar naar hun hand zetten, maakt duidelijk hoe weinig echt betrouwbare informatie voorhanden is. In toenemende mate doen oorlogvoerende of strijdende partijen er trouwens alles aan om onafhankelijke journalistiek onmogelijk te maken.

Die vaststelling geldt zeker voor het perfect gemediatiseerde geweld van de Islamitische Staat in Syrië en Irak. Jihadi’s van allerlei slag en kleur lijken media in het algemeen vooral te zien als kanalen om lokaal geweld mondiaal uit te vergroten en zo angst te verspreiden bij de anders onbereikbare "vijand". Ze doen dat niet zonder succes.

Hetzelfde kan je zeggen van de militaire eliteclub die de NAVO is. Anders Fogh Rasmussen stelde begin september – toen nog als secretaris-generaal van de NAVO – dat ‘we ons bevinden in de frontlinie van een nieuwe strijd tussen tolerantie en fanatisme, tussen democratie en totalitarisme, tussen open en gesloten samenlevingen’. Dat is geen objectieve vaststelling, maar een oproep aan alle burgers en politici van het Westen om de gelederen te sluiten, tegen Rusland, tegen de radicale salafisten en tegen al wie "onze waarden en belangen" bedreigt. Het kleinste kind weet op dat moment aan welke kant van de frontlijn je hoort te staan. Kritische journalistiek wordt in een wereld die succesvol gepolariseerd wordt al snel gezien als verraad of collaboratie. En als het publiek alleen nog partizane berichtgeving aanvaardt, dan wordt overheidsrepressie overbodig.

Het probleem is dat de ‘ernstige en toereikende informatie’ van Amartya Sen in de wereld van 2014 niet alleen bedreigd wordt in het kader van oorlog en geweld. De media ondergraven hun eigen geloofwaardigheid ook door verregaand mee te stappen in de richting van commercialisering, entertainment of ideologische berichtgeving. De economische druk waaronder oude en nieuwe, print- en audiovisuele media staan, maakt het voor journalisten steeds moeilijker hun bijdrage te leveren aan het ‘redelijke en goed onderbouwde publieke debat’ dat essentieel is, niet alleen om de democratie te redden, maar ook om de mensheid te behoeden voor nog meer oorlogsgeweld of voor de stilaan onafwendbare catastrofe van de klimaatverandering.

 

 

Gie Goris is hoofdredacteur van MO*, een mondiaal magazine en een mondiale nieuwssite in België. Hij volgt landen tussen Iran en Indonesië, met veel aandacht voor de regio rond Afghanistan – waarover hij in 2011 het boek Opstandland publiceerde. Parallel aan deze regionale focus, schrijft en spreekt hij ook geregeld over thema’s als cultuur, religie en mondialisering. In 2012 kreeg hij de Journalist voor de Vrede-prijs van het Humanistisch Vredesberaad Nederland.