Aardse opwarming: onze grootste morele uitdaging

In 2013-2014 verscheen het vijfde Assessment Report van het Intergovernmental Panel on Climate Change in drie dikke delen. Zelfs bij het lezen der samenvattingen zullen leken snel verdwalen in de overvloed van wetenschappelijke details. Dit geldt voor vrijwel alle burgers en politici, hetgeen wellicht verklaart dat noch ons kabinet, noch de Tweede Kamer, veel aandacht aan het 5e IPCC-rapport heeft besteed. Laat ik daarom de politieke les beknopt formuleren: aardse opwarming is de grootste morele uitdaging voor nu levende mensen.

Tijdens de laatste 11.700 jaar (het Holoceen) was het aardse klimaat relatief stabiel, waardoor complexe menselijke culturen konden ontstaan. Er zijn allerlei oorzaken denkbaar die dit stabiele klimaat kunnen ontwrichten, zoals wijzigingen in de aardbaan of zonneactiviteit. Elke mogelijke oorzaak van klimaatverandering heeft specifieke gevolgen, de zogenaamde "vingerafdrukken", waardoor we kunnen vaststellen welke effecten te wijten zijn aan welke oorzaak. Door wetenschappelijk onderzoek is het nu 95% zeker dat de gemeten opwarming van de aarde en de oceaanverzuring grotendeels veroorzaakt zijn door menselijke productie van broeikasgassen, met name koolstofdioxide (CO2). Dit maakt klimaatverandering, vanwege catastrofale gevolgen in de toekomst, tot een moreel probleem: wij zijn de schuldigen. Maar waarom is het de grootste morele uitdaging voor nu levende mensen?

Laat ik de belangrijkste factoren noemen. (1) Door menselijke activiteiten geproduceerde CO2 blijft deels duizenden jaren in het klimaatsysteem. Daardoor hoopt onze hedendaagse (nog steeds stijgende) uitstoot zich op (in de atmosfeer inmiddels van zo’n 280 parts per million vóór de industriële revolutie naar zo’n 400 ppm nu), met steeds grotere opwarming als gevolg. Dit doet de vraag rijzen of de huidige generatie mensen het recht heeft het klimaat dusdanig te ontwrichten dat latere generaties grote schade zullen ondervinden en deels te gronde zullen gaan. (2) De huidige uitstoot van broeikasgassen brengt processen op gang die door hun versterkende terugkoppeling niet meer te stuiten zijn, zoals het smelten van landijs op Groenland en Antarctica, waardoor het zeeniveau uiteindelijk dramatisch zal stijgen. (3) Alle geïndustrialiseerde landen dragen bij aan het klimaatprobleem, door het opstoken van fossiele brandstoffen, veeteelt, enzovoort, zodat een oplossing alleen tot stand kan komen door samenwerking van alle grotere landen. Prisoner’s dilemmas liggen op de loer. (4) In tegenstelling tot schadelijke drijfgassen (cfk’s), waarvan de uitstoot gereduceerd kon worden door het Montreal Protocol van 1989, is de uitstoot van broeikasgassen diep geworteld in onze economie. (5) Wanneer duidelijk wordt dat de consumenten van fossiele brandstoffen hun verbruik gaan inperken, hebben de producerende landen, zoals Venezuela, Saoedi-Arabië, of het Rusland van Putin, er belang bij om hun zwarte rijkdommen zo snel mogelijk op de markt te brengen. Dit maakt het vrijwel onmogelijk om het probleem van de CO2-uitstoot door onderhandelingen op te lossen. (6) De enorme mondiale bevolkingsgroei, die momenteel vooral plaats vindt in Afrika, verzwaart zowel de ernst van het probleem als onze morele dilemma’s. Mag men de vier miljard mensen die volgens prognoses rond 2100 in Afrika zullen leven, evenveel welvaart gunnen als de inwoners van de Verenigde Staten nu gemiddeld bezitten? Hoe kunnen we catastrofale klimaatverandering op een rechtvaardige manier vermijden?

Mijns inziens moet elke regering ter wereld zich tot het uiterste inspannen om in december 2015 een nieuw mondiaal klimaatverdrag te sluiten tijdens de 21e Conferentie van de Partijen van het UNFCCC in Parijs. In tegenstelling tot het Kyoto-Protocol zou dit verdrag werkelijk effectief moeten zijn, ook voor de Verenigde Staten en China, zodat zo’n 4/5 van de bekende voorraden aan fossiele brandstoffen in de grond blijft. Zal de mensheid deze mondiale morele uitdaging aankunnen? Zo niet, dan treft onze generatie wereldwijd een zwarte blaam.

 

 

Prof. dr. mr. Herman Philipse (1951) studeerde rechten te Leiden en wijsbegeerte in Leiden, Oxford, Parijs en Keulen. Na werkzaam geweest te zijn aan de universiteit van Leuven keerde hij in 1978 naar Leiden terug waar hij in 1983 promoveerde op Edmund Husserls filosofie van de logica. In 1985 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Leidse universiteit en sinds 1 september 2003 is hij universiteitshoogleraar in de wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht. Het recentste boek van zijn hand is God in the Age of Science? A Critique of Religious Reason (Oxford University Press, 2012). Dit voorjaar gaf hij een reeks van vier hoorcolleges over Global Warming (in het Nederlands), die gepubliceerd werden door Home Academy.