We zien de wolkenkrabber over het hoofd

Heeft u weleens bedacht waarom we wolkenkrabbers konden bouwen en zijn gaan bouwen? Een belangrijke reden was zeker de uitvinding van het staalbeton. Maar niet te verwaarlozen is bijvoorbeeld ook de uitvinding van de lift, de waterpompen, elektriciteitsnetwerken en de telefonie, of het kunnen werken met imposante kranen en steigers en de ontwikkelde inzichten over de eigenschappen van materialen. Het bouwen van wolkenkrabbers werd ook ingegeven door de immense aanwas van mensen in steden, de druk op effectief gebruik van ruimte, het ontstaan van arbeidsdeling waardoor het mogelijk werd productie (fabrieken) en dienstverlenende activiteiten (kantoren) op andere plaatsen uit te voeren. Tegenwoordig vinden we een imposante skyline van hoge gebouwen normaal. We hebben er van alles om heen ‘gebouwd’, variërend van een financieel stelsel (grondprijzen en beleggingsobjecten) tot toeristische attractie (‘de hoogste’). 

William Lebaron Jenney, de architect van de eerste wolkenkrabber (The Home Insurance Building te Chicago), dacht zelf waarschijnlijk alleen maar na hoe hij een dergelijk gebouw kon ontwerpen, als een opzichzelfstaande construct. Dat het een optelsom van allerlei technische en sociaaleconomische ontwikkelingen was en een enorme impact op de verdere toekomst van steden en onze economie zou hebben, is waarschijnlijk niet in zijn hoofd opgekomen. 

Eigenlijk denken we nog steeds als William Lebaron Jenney. Het topsectorenbeleid in Nederland is daarvan een voorbeeld: de ontwikkelingen worden alleen binnen hun eigen kaders ondersteund. Terwijl de grootste meerwaarde juist ligt in het combineren van inzichten en ontwikkelingen die op verschillende terreinen gebeuren. Neem bijvoorbeeld de aandacht rondom de 3D-printers. Op zich vormen die een imposant staaltje nieuwe technologie. Maar ze zijn interessant door een scala van andere ontwikkelingen, variërend van nanotechnologie tot een opkomende economie waar consumenten onderdeel van productieprocessen worden. De discussie over wat we met 3D-printers in de (nabije) toekomst kunnen, wordt daarmee niet zozeer een kwestie van het verbeteren van de mogelijkheden van het apparaat zelf. Het vraagt vooral om een combinatie met andere technologische en sociaaleconomische transities die in onze samenleving gaande zijn. We kunnen dit uiteraard ook overlaten aan de markt. Mogelijk kunnen we ook proberen er slim over na te denken. Dat kan met behulp van de scenariomethodiek, waardoor nieuwe combinaties en andersoortige toepassingen en consequenties verkend kunnen worden die het niveau van het verbeteren van 3D-printers overstijgen. Scenario's zijn kwalitatieve, in zichzelf consistente beschrijvingen van mogelijke toekomsten die onderling wel sterk van elkaar verschillen. Scenario's zijn gebaseerd op ontwikkelingen waar geen invloed op mogelijk is ('het komt op je af, of je het leuk vindt of niet') maar die wel een groot effect hebben op een vraagstuk zoals de productiestructuur. Een zodanig ontwikkeld scenario zou er als volgt uit kunnen zien: de 3D-printer is volledig doorgebroken, in zowel productieprocessen als in thuisgebruik. Consequentie: veel bestaande verhoudingen zijn overhoop gehaald, veel beroepen verdwenen. Wel is nieuw werk ontstaan, maar kleiner in omvang. Ondanks een kleiner bruto nationaal inkomen kunnen we door de 3D-printer toch veel van wat we willen hebben zelf produceren: lagere welvaart maar wel voldoende welzijn. Handel draait om ontwerpen en grondstoffen, ook recyclebare grondstoffen. 3D-printerfabrikanten zijn grote, belangrijke ondernemingen geworden. Eigendom is hybride geregeld: een soort basisprijs, daarna beschikbaar voor iedereen, met aanvullend de mogelijkheid persoonsgerichte aanpassingen aan te brengen. De haven is omgeturnd tot een grondstoffenhaven, inclusief recycling ervan, met een beperkte capaciteit op containers en andere gerede producten. Hergebruik van materialen is sterk toegenomen: de haven als "mijn" is werkelijkheid geworden. 

Als vergelijkbare mogelijke toekomsten niet worden beschouwd en verkend blijven we de wolkenkrabber over het hoofd zien. Dan rest ons weinig anders dan het hutje op de hei. Denk groot!