Mensen als natuurlijke cultuurwezens: naar een reset van de antropologie

Aristoteles’ idee van de mens als zoön politikon – sociaal-politiek dier – is lang een soort metafysische conceptie of metafoor gebleven. Maar hedendaags onderzoek heeft het geheel bevestigd: de mens is een dier, voortgekomen en geworteld in de natuurlijke orde, én een wezen dat via taal in samenleving en cultuur leeft. Deze twee aspecten zijn onlosmakelijk verbonden. Dit in de sociale wetenschap en humaniora vaak genegeerde begrip van de interactie van naturalistische en cultuurrijke aspecten in menselijke gedrag wordt dezer dagen echter keer op keer bevestigd door nieuw onderzoek. Men kan niet meer aankomen met alleen postmodernistische, culturologische, narratieve constructies van ‘de mens’ en zijn/haar ‘unieke betekenisverbanden’ als verklaringsmodel. Een ‘interpretatieve’ benadering, lang dominant in bijvoorbeeld de antropologie, doet inderdaad een deel van het werk – het in kaart brengen en verklaren van de complexiteit en de relatieve autonomie van culturele voorstellingen en ideeën – en blijft nodig, maar is niet meer genoeg. Als men dit als een soort ‘arbeidsverdeling’ ziet, is er niks aan de hand. Maar velen koppelen daar nog steeds kentheoretische consequenties aan die de waarde van naturalistische benaderingen ontkennen. Maar dat kan dus niet meer.
 
In het nieuwe onderzoek in o.a. cognitiewetenschap, biologie, taalkunde en evolutionaire studies wordt de generatieve interactie van natuurlijke en cultuurlijke elementen in menselijk gedrag vooropgesteld en keer op keer bevestigd, niet zonder controverse en gedoe, maar toch. Antropologisch onderzoek naar de reikwijdte en werking van culturele factoren heeft hier veel aan bijgedragen en heeft zich steeds meer interdisciplinair betoond. In dit grensgebied worden nog ontdekkingen gedaan, en worden ‘oude’ ideeën, zoals die van Aristoteles, nieuwe inhoud gegeven.
 
Deze kwesties kunnen uitstekend worden doordacht op basis van het fascinerende boek (2013) van de Amerikaanse antropoloog-’sociobioloog’ Napoleon Chagnon: Noble Savages. My Life among Two Dangerous Tribes: the Yanomamö and the Anthropologists. Dit is een gedetailleerde wetenschappelijke autobiografie waarin hij zijn carrière vanaf 1964 als onderzoeker van de Venezolaanse Yanomamö-Indianen beschrijft en ook de golven van kritiek en de affaires rond zijn werk behandelt. Chagnon was een pleitbezorger van een geïntegreerde sociale en evolutionair-biologische benadering van het leven van deze toen geïsoleerde groep Indianen, die gekenmerkt werden door nogal wat conflict en lokaal groepsgeweld, vooral rond overlevingskansen, reproductie en vrouwen. Zonder nu op de details in te gaan meen ik dat Chagnon goed aantoont dat de case-study van de Yanomamö een brede, pan-menselijke reikwijdte heeft, en het grote belang van natuurlijke groepsvorming – maar in het spanningsveld tussen competitie en wederkerigheid - onderstreept.
 
Het ‘beste’ idee vanuit mijn vakgebied is daarom het doorgaan met de reset van antropologie tot een echt holistische, meer naturalistische wetenschap, een idee dat Chagnon al had; zijn resultaten vinden meer en meer bevestiging in genoemd interdisciplinair onderzoek.