Literariteit en feitelijkheid kunnen samengaan.

“Wat in het concentratiekamp gebeurd is, blijft onbegrijpelijk”, aldus bondskanselier Angela Merkel op 20 augustus 2013 bij haar bezoek aan Dachau. Een van de functies van kunst en literatuur is om het gebeurde tenminste begrijpelijker te maken. Dat blijkt uit Overleven in verhalen: van ooggetuigen naar ‘jonge wilden’. Joodse auteurs over de Shoah (Antwerpen – Apeldoorn: Garant, 2013) van Elrud Ibsch. Het boek is een levenswerk. Het gaat over een materie waarmee de auteur volkomen vertrouwd is: zij heeft vanaf het begin van de jaren negentig over het onderwerp gepubliceerd en decennialang (promotie)onderzoek op dit terrein begeleid. Het is ook het werk van een leermeester op het terrein van het lezen van literatuur: in de praktijk van het lezen worden literaire procedés als ironie, vervreemding en intertekstualiteit uitgelegd. Zij geeft zichzelf als lezer te kennen en probeert te begrijpen.

            Elrud Ibsch heeft een literatuurgeschiedenis geschreven van dit bijzondere genre uit de moderne literatuur, de literatuur van joodse schrijvers over de Holocaust, een genre dat nu zo’n zeventig jaar bestaat. In deze principieel internationale literatuur, die geschreven is in Europa, Israël en Amerika, heeft de Nederlandse literatuur een vanzelfsprekende plaats. Belangrijk is de comparatistische benadering: Arnon Grunberg krijgt de Duitse auteur Maxim Biller naast zich en de Italiaan Alessandro Piperno; Marcel Möring wordt in verband gebracht met David Grossmann.

            Lange tijd vormden de herinneringen van overlevenden en de herinnerde geschiedenis van hun (klein)kinderen de enige manier om over de Shoah te schrijven die aanvaardbaar werd geacht. Rond 1980 eisen auteurs uit tweede en derde generatie volledige vrijheid met betrekking tot het verhaal van de Holocaust op. Dit was een internationale ontwikkeling, waarvoor de auteur het begrip verbeelde geschiedenis voorstelt. Er is een verband in de tijd tussen het debat over mogelijkheden en onmogelijkheden van de Holocaust-literatuur en het debat over het postmodernisme. De door de postmoderne filosofie gepostuleerde erosie van de feitelijkheid ten gunste van taal en fictie bracht Saul Friedländer tot de organisatie van een conferentie die resulteerde in de bundelProbing the Limits of Representation uit 1992. Hierover schrijft Elrud Ibsch dat niet te ontkennen valt, dat de discussie over de Shoah die in de jaren negentig van de twintigste eeuw breed werd gevoerd, aan extreem relativistische tendenties een halt heeft toegeroepen.

            Haar indringende lezing van onder andere Imre Kertész, Edgar Hilsenrath, Romain Gary en Daniel Mendelsohn verduidelijkt dat literariteit en feitelijkheid samen kunnen gaan.