Het precariaat

Eén van de beste sociologische ideeën om de wereld anno 2013 te verklaren is het idee van “het precariaat”. De financiële crisis die al jaren grote delen van de wereld teistert, heeft naast veel economische ellende ook veel sociale onzekerheid veroorzaakt. Kan de politiek nog iets doen aan de zelfverrijking van bankiers en multinationals? Blijft er nog iets over van de welvaartstaat? De ideeën die we vroeger hadden over sociaal-economische ongelijkheid en hoe je die kon bestrijden staan nu vaak op losse schroeven.

Vroeger had je het proletariaat, de lagere sociale klasse van arbeiders die in de fabrieken werkten en over wiens rug de kapitalisten rijk werden. Dat soort uitbuiting was goed te begrijpen en ergens ook wel te bestrijden. Die arbeiders werden politiek gemobiliseerd door de vakbonden en de socialistisch georiënteerde politieke partijen. Hun gezamenlijke strijd heeft geleid tot veel van de sociaal-economische verworvenheden van de welvaartstaat: het minimumloon, de 38-urige werkweek, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, enzovoorts.

Anno 2013 bestaat het proletariaat niet meer. In Europa en Noord-Amerika hebben veel van de fabrieken allang hun deuren gesloten. Weinig mensen herkennen zichzelf nog in het oude socialistische idee van “de arbeider”.

Toch is de positie van werknemers niet zo rooskleurig. De positie van zowel hoog- als laagopgeleiden op de arbeidsmarkt is in toenemende mate precair. Waar de overheid en bedrijven voorheen veel risico’s en kosten op zich namen, worden die steeds meer op werkers (voorheen werknemers) afgewenteld. Flexcontract, parttime, freelancer, ZZP’er, thuiswerker, stukwerker – een vaste baan met een vaste werkplek kan je tegenwoordig vaak wel vergeten. Van thuiszorgers die als zelfstandige werken tot kantoorloze wetenschappers die per afgeronde scriptie betaald krijgen: wat ze gemeen hebben is dat hun economisch bestaan steeds meer door onzekerheid wordt gekenmerkt. Want inmiddels is het afgelopen met die welvaartsstaat, zelfs de nieuwe koning heeft het gezegd.

Wetenschappers als socioloog Loïc Waquant en econoom Guy Standing duiden deze nieuwe groep, die in steeds grotere sociale en economische onzekerheid leeft, als het precariaat. In tegenstelling tot het proletariaat van vroeger is het precariaat heel moeilijk te mobiliseren. Ze hebben geen fabriek of vergelijkbare vaste werkplek waar ze elkaar tegenkomen. Ze hebben geen vakbond en er is ook geen politieke partij die voor ze opkomt. De precaire werkers zien zichzelf ook niet als “klasse” – de wetenschapper herkent haar positie niet in die van de thuiszorger. Het mooie van het concept precariaat is dat het deze overeenkomsten wél zichtbaar maakt. Geflexibiliseerde arbeidskrachten aller landen, verenigt u!