Hassan Rouhani

Begin 2013 gaf niemand een cent voor de verkiezingen in Iran, die op 14 juni een opvolger voor de bijzonder controversiële en polariserende president Ahmadinejad moesten opleveren. De houdgreep van het theocratische establishment op de stembusgang was zo groot dat de hele wereld, inclusief de Iraanse oppositie, preventief de handdoek in de ring gegooid had. Totdat de minzame geestelijke Hassan Rohani in de allerlaatste weken en dagen voor de verkiezingen plots de steun kreeg van zowat alle hervormers en oppositieleiders en hij daardoor de nieuwe president werd. Dit was een meesterzet van de voormalige presidenten Khatami en Rafsanjani, die het kleinste kiertje in het systeem gebruikten om een hermetisch gesloten deur open te krikken.

De pessimistische reactie daarop was dat de échte macht in Teheran, belichaamd door ayatollah Khamenei, deze anomalie wel heel snel zou kortwieken. De optimistische versie geloofde dat Khamenei anno 2013 beseft wat hij tot voor kort weigerde onder ogen te zien, namelijk dat ingrijpende veranderingen nodig zijn als de Islamitische Republiek wil overleven. Er is immers niet alleen de wurgende sanctiepolitiek, die het Westen oplegt en die de economie dreigt te doen kelderen, er is ook het blijvende en zelfs groeiende verzet van de bevolking tegen de puriteinse moraal en het ronduit slechte bestuur van de machthebbers in Teheran, zeker onder president Ahmadinejad.

Drie maanden later lijkt de optimistische lezing de voorlopig juiste. In elk geval kan Rohani zonder al te grote beperkingen ouvertures maken naar het Westen, politieke dissidenten gratie verlenen en voorzichtige maatschappelijke liberaliseringen aankondigen. 

Vorige kansen op gesprek tussen Washington en Teheran mislukten omdat ze niet beantwoord werden: de dialoog waarnaar president Khatami zocht kreeg een njet van president Bush en de uitgestoken hand van president Obama in 2009 kreeg hetzelfde antwoord van president Ahmadinejad. Dat lijkt vandaag anders te liggen, zeker nu beide hoofdsteden hun machtige buitenlandministers aangewezen hebben om de onderhandelingen over het Iraanse kernprogramma te leiden. Dat is belangrijk, want een lente is een kort seizoen. 

‘Wie in kamelen handelt, maakt zijn toegangspoort hoog genoeg’, zegt een Afghaanse zegswijze. Met andere woorden: het Westen moet niet alleen toegevingen vragen van Iran, het moet zelf stappen zetten, zoals garanderen dat het afziet van de ambitie om het regime in Teheran te wijzigen en het recht op kernenergie – inclusief verrijkingscyclus, zolang die binnen het spectrum van de civiele toepassing blijft – erkennen. 

Het jaar tussen mei 2013 en juni 2014 dreigde, met parlements- en presidentsverkiezingen in Pakistan, Iran, India en Afghanistan, een heel uitgesproken year of living dangerously te worden. De Pakistaanse kiezers toonden op 11 mei dat ze de gewelddadige intimidaties van de extremisten afwezen en verkozen gewoon een conservatieve machtpoliticus tot nieuwe premier, die meteen aankondigde werk te willen maken van een betere relatie met de nabije vijand India. Iran volgde in juni met de verkiezing van Rohani. Zelf omschreef hij zijn verkiezing tijdens zijn toespraak voor de Algemene Vergadering van de VN als een uiting van hoop en de keuze van het volk voor vrede. Rohani legt de lat hoog voor zichzelf. Daar kan hij alleen over als de gevestigde machten in Teheran én Washington hem niet doen struikelen.