Genialiteit groeit op ellende

Is het mogelijk om te herkennen wat een belangrijk idee is? In theorie wel, in de praktijk echter is het vrijwel onmogelijk. Neem het concept waarmee Jim Watson en Francis Crick in 1953 kwamen: dat de overerfbaarheid van eigenschappen eindelijk kon worden begrepen door te veronderstellen dat het DNA-molecuul de structuur van een dubbele wenteltrap met vier verschillende treden had. Er was een lokaal sufferdje dat ergens op pagina 23 melding maakte van het feit dat twee onderzoekers uit Cambridge in het wetenschapsblad Nature met een interessante theorie waren gekomen, maar daar bleef het bij. Het was wellicht het belangrijkste idee van de twintigste eeuw, maar er was geen enkele vooraanstaande krant die het op zijn voorpagina had gezet, het was niet de talk of the town.

En dit geldt voor bijna alle grote ideeën uit de geschiedenis. Het duurt een jaar of tien tot twintig en soms zelfs nog langer voor tijdgenoten in staat zijn om een idee te wegen. Een boek dat in 2013 verschijnt, kan dus niet de pretentie hebben om de beste ideeën van 2013 te presenteren.

Met dat voorbehoud doe ik toch een poging. Het beste idee dat ik in 2013 tegenkwam, was de stelling van Anton Blok – een gerenommeerde maar voor mij tot aan zijn boek onbekende hoogleraar culturele antropologie –  dat de doorbraken in wetenschap en kunst van outsiders afkomstig zijn, van mensen die tegenslagen in het leven hebben gehad en daardoor buiten de gemeenschap zijn beland.

Ik ga niet precies weergeven wat zijn bevindingen zijn – hij heeft tien jaar aan zijn studie gewerkt en het staat helder vermeld in De Vernieuwers (Prometheus 2013) – maar het gaat om de essentie: pas als buitenstaander kun je naar binnen kijken. Een waarlijk vernieuwend idee vereist een frisse blik. Wanneer je elke ochtend om acht uur lijn 4 naar de universiteit neemt en om vijf uur met lijn 4 weer terug naar huis koerst om ’s avonds gezellig met vrouw en kinderen te yahtzeeën, dalen de verrassende vergezichten nooit in. 

Genialiteit groeit op ellende. Het is beter wanneer vader op tweejarige leeftijd onder een tram stapt, moeder een hardvochtig kreng is, dat je op de basisschool wordt uitgelachen omdat je huidskleur, religie dn wel kapsel niet deugt en wanneer je als volwassene geen fatsoenlijke baan kunt krijgen. Dat levert – net als bij Ludwig Wittgenstein, koukleumend in een huisje met uitzicht over mistige fjorden – inspiratie en tijd op om iets prachtigs te bedenken.

 

zie ook: Joop/Opinies