Genen en memen

Hoe weet een schildpadje, uitgebroed in het warme zand van een Caraïbisch strand, dat het af moet slaan in de richting van de zee, moet sprinten voor zijn leven en pas rustig kan ademhalen als de eerste golven van de oceaan over hem heen spoelen? Hij weet immers niet wat zee is? En ook niet dat er roofvogels boven zijn hoofd cirkelen? Toch doet hij alles instinctief goed. Dat is volgens mij alleen mogelijk als de ervaring van miljoenen generaties schildpadden zijn ingeprent in zijn kleine schildpaddenbrein. 

De erfelijkheidstheorie vertelt me dat het zo niet werkt. Ervaring doet er niet toe, zegt de theorie. Alleen natuurlijke selectie leidt tot soorten die overleven. Om te bewijzen dat dit niet klopt, heb ik me begin dit jaar gestort in de lectuur van erfelijkheidstheorieën die een plaatsje inruimen voor de invloed van ervaringsgegeven op de erfelijkheid. Uiteindelijk kwam ik terecht bij het werk van Richard Dawkins. 

In The Selfish Gene introduceert Dawkins het begrip meme als alternatief en concurrent voor het begrip gen, de grondslag van de erfelijkheidsleer of genetica. Een gen is een DNA-molecuul dat de vorm heeft van een dubbele spiraal. Dat molecuul bevat het genetische profiel (de bekende streepjescode) dat voor elk levend wezen uniek is. 

Dit profiel komt tot stand op het moment dat de mannelijke spermacel versmelt met de vrouwelijke eicel. Dawkins vergelijkt dit moment met de installatie van een computerprogramma. Is de bevruchting eenmaal een feit, dan is ook de installatie van het programma een feit en kan er niets meer worden veranderd aan ons genetische profiel. Dat blijft tot onze dood wat het was op het moment van de bevruchting.  

De genetica kent met andere woorden geen feedback. We kunnen nog zoveel leerzame ervaringen opdoen in ons leven, niets daarvan wordt ‘teruggevoed’ naar onze genen, niets wordt overgedragen aan ons nageslacht. Onze levenservaringen zijn, vanuit erfelijk gezichtspunt gezien, nutteloos.

Daar gaat mijn theorie van erfelijke overdracht van ervaringen. Mijn teleurstelling werd goed gemaakt door het begrip meme. Memen zijn volgens Dawkins informatiedragers met behulp waarvan ons cultureel erfgoed, zoals taal, mythen en geloof wordt opgeslagen en doorgegeven. Memen worden op vergelijkbare manier doorgegeven als genen, namelijk door replicatie, ditmaal in de mildere variant van imitatie. Denk aan de manier waarop wij een taal leren, namelijk door onze ouders na te praten. 

Het mooie is nu dat ons cultureel erfgoed door middel van deze memen evolueert ongeveer zoals ook biologische soorten evolueren, alleen duizend keer sneller. 

De vraag is nu: wat is een meme eigenlijk? Ik weet dat het gen een stukje DNA is, dat wil zeggen een stukje nucleïnezuur. Maar een meme? 

Dawkins gaat niet in op deze vraag. Het enige wat ik kan verzinnen is dat memen geheugensporen zijn, inscripties in een database die via erfelijke overdracht in mijn hersens is gezet. Hier komt dan toch de erfelijkheid om de hoek kijken. Ik kan namelijk alleen een taal leren op voorwaarde dat taalcompetentie door erfelijke overdracht is ingebouwd in mijn brein. Mijn kat zal daar nooit in slagen, omdat hij zo’n erfelijke overdraagbare competentie mist. 

Er moet dus een punt zijn waarop het memetische cultuurgoed aansluit op de genetische programmatuur. Een soort scharnier waar memen en genen in elkaar grijpen. Hoe ziet dat scharnier eruit? Hoe werkt het? Fascinerende vragen die voortkomen uit Dawkins’ briljante idee van de meme.