Gebruik en vernietiging van enthousiasme

Dit jaar werd ik naar een congres in Los Angeles uitgenodigd, waar makers van videospelletjes en cognitieve neurowetenschappers bij elkaar kwamen. Eerst dacht ik alleen maar: “Hé? Wat zouden die mensen kunnen vertellen en waarom zou dat voor mij interessant kunnen zijn?” Maar ik heb er zoveel meer geleerd dan ooit op een eerder congres. Dat er al sinds een jaar of vijftien pogingen bestaan om die twee gebieden bij elkaar te trekken en dat er inmiddels zelfs reguliere White House Conferences over die connectie plaatsvinden, thuis bij Obama en zelfs op zijn eigen initiatief, is opmerkelijk.

De gedachte is best simpel eigenlijk: aan de ene kant is het ontzettend moeilijk burgers te motiveren dingen te doen die goed zijn voor henzelf of voor de maatschappij — denk aan gezonder eten, het milieu minder vervuilen, andere mensen helpen om niet meer te roken. Aan de andere kant offeren miljoenen mensen iedere dag uren van hun vrije tijd op voor wat helemaal zinloos lijkt: spelletjes, met of zonder computers, van mens-erger-je-niet tot Half-Life. Is het niet mogelijk deze enorme motivationele energie om te leiden om verantwoord en sociaal gedrag te stimuleren?

Het lijkt me belangrijk om beter over de motiverende aspecten van spelletjes na te denken. Ten eerste maakt je vooruitgang en succes een duidelijk merkbaar verschil: je verliest of je alter ego gaat zelfs dood; dat biedt een duidelijk, persoonlijk belangrijk doel. Ten tweede heeft iedereen zijn eigen manier om dat doel te bereiken, je kunt verschillende strategieën proberen en steeds weer iets nieuws verzinnen. Ten derde zijn spelletjes vaak adaptief: ze passen zich aan het niveau van de speler aan, je kunt dus op ieder niveau succes hebben en flexibel wisselen tussen de niveaus.

Dit geeft aan hoe ver weg we zijn van motiverende levensomstandigheden. Ons onderwijssysteem begint al vroeg eigen doelen en individuele strategieën te vervangen door genormeerde eindtermen van opleidingsplannen en gestandaardiseerde cursusstructuren. De nog steeds toenemende nadruk op cijfers en externe beoordeling voldoet precies aan wat sociaalpsychologen als condities voor de externalisering van oorspronkelijk intrinsieke motivatie definiëren: we worden dus systematisch aangeleerd alleen maar voor externe beloning, in plaats van voor nieuwsgierigheid en voldoening te werken. En iedereen wil dan ook nog zo snel mogelijk met behulp van een vroeg pensioen “geen verschil meer maken”, om dan verbaasd te zijn dat hij/zij zich gedemotiveerd en nutteloos voelt.