Een zuivere mond, een zuivere grond: de mond spreekt boekdelen

Een paar jaar geleden werden in Spanje de tanden ontdekt van een Neanderthaler die 63.000 tot 64.000 jaar geleden geleefd had. Die Neanderthaler bleek toen al een innovatief idee te hebben: hij poetste zijn tanden. 

Kennelijk hebben mensen in dit opzicht niet het DNA van de Neanderthalers overgenomen. Want nu, duizenden jaren later, is er een leger van mondhygiënisten en tandartsen nodig om mensen zover te krijgen dat ze regelmatig en op de juiste manier, hun tanden poetsen. Vaak met matig succes. Dat komt mede vanwege de boodschap dat je door een goede mondverzorging en tandenpoetsen op den duur gaatjes en tandvleesproblemen voorkomt. Echter, uit de gezondheidspsychologie weten we nu juist dat mensen niet zo gemakkelijk hun gedrag veranderen door ze op dit soort langetermijngevolgen te wijzen. Bovendien is zorgvuldig tandenpoetsen en reinigen natuurlijk een erg complexe en saaie bezigheid, waar veel mensen al helemaal geen zin in hebben wanneer ze net lekker willen gaan slapen. Maar als mensen goede redenen zouden hebben om aandachtig hun gebit te poetsen, zouden dat soort weerstanden wellicht als sneeuw voor de zon verdwijnen. 

Die redenen zijn er zeker, maar de meeste mensen lijken die niet te zien. Ten eerste: mensen met een pijnlijk of slecht gebit kauwen en praten moeilijk, wat lelijk oogt, en ze ervaren een flinke handicap in de communicatie. Ten tweede: het gebit is een centraal aspect van de eerste indruk. Een onverzorgd en lelijk gebit roept, vaak onbewust, afkeer en irritatie op. Iemand bij wie een voortand ontbreekt kan nog zo aardig zijn of er nog zo leuk uitzien, hij of zij wordt bij de eerste aanblik meteen afgewezen, of als asociaal gezien. Maar ook verkleurde tanden of  ‘fietsenrekjes’ en ‘centenbakjes’ komen niet bepaald aantrekkelijk over. Ten derde: iemand die uit zijn of haar mond ruikt, roept op zijn minst een lichte vorm van aversie of zelfs walging op. Dat laatste behoeft geen nadere toelichting. Het belang van een gezonde mond en een fraai gebit in de interpersoonlijke omgang wordt drastisch onderschat. 

Dat geldt ook voor de wetenschap, waar alle mogelijke factoren zijn onderzocht die de aantrekkelijkheid beïnvloeden. Maar juist wat onaantrekkelijk maakt verdient aandacht van onderzoekers. Dan zal blijken dat een ongezonde mond en een lelijk gebit wel eens meer aversie kunnen oproepen dan een dikke buik, flaporen of een scheve neus. De tijd is rijp om de mond de aandacht te geven die hem toekomt. Kortom: een bewust proces van ‘sociale mondialisering’. De mond spreekt letterlijk en figuurlijk boekdelen!