De kracht van een moreel ideaal

We leven in een wereld die nog steeds wordt gekenmerkt door ongelijkheid tussen sociale groepen. Sociale gelijkheid wordt versterkt wanneer mensen zich daarvoor inzetten. Waardoor worden mensen gemotiveerd of juist gedemotiveerd ten aanzien van het creeëren van een meer gelijke samenleving? Uit sociaalpsychologisch onderzoek weten we dat, wanneer je lid bent van een meerderheidsgroep (bijvoorbeeld autochtone Nederlanders), je vaker dan leden van minderheidsgroepen (bijvoorbeeld allochtone Nederlanders) geneigd zal zijn om je te verzetten tegen sociale verandering. Als je lid bent van een groep die een relatief hogere positie inneemt, is het namelijk waarschijnlijk dat je de privileges en macht van jouw groep wilt behouden. Voor mijn proefschrift onderzocht ik hoe specifiek deze groep mensen — leden van hoge status groepen — gemotiveerd kunnen worden om zich toch in te zetten voor meer gelijkheid tussen groepen in de samenleving. Mijn idee was dat de motivatie om sociale gelijkheid te bevorderen zou toenemen als dit werd gepresenteerd als een moreel streven, in plaats van een verplichting. 

 Op basis van experimentele en veldstudies, toonde ik aan dat het presenteren van sociale gelijkheid als moreel ideaal onder autochtone Nederlanders inderdaad leidt tot meer steun voor positieve actie, meer positieve attitudes ten aanzien van culturele diversiteit en minder sociale identiteitsbedreiging dan het presenteren van sociale gelijkheid als morele verplichting. Bovendien had moraliteitsframing (het presenteren van gelijkheid als moreel ideaal versus morele verplichting) ook een effect op meer automatische, minder bewust gestuurde, reacties van mensen. Tijdens het houden van een betoog over sociale gelijkheid als moreel ideaal (in plaats van morele verplichting), vertoonden autochtone Nederlanders namelijk fysiologische reacties (zoals een tijdelijk verlaagde bloeddruk) die optreden wanneer men een situatie als uitdagend in plaats van bedreigend ervaart. Echter, wanneer Nederlanders daadwerkelijk in contact traden met een allochtone Nederlander, vertoonden ze juist meer fysiologische reacties van bedreiging na het lezen over gelijkheid als een moreel ideaal dan als morele verplichting. Deze verhoogde bedreiging tijdens intergroepscontact lijkt echter te duiden op de psychologische prijs van betrokkenheid bij het doel van sociale gelijkheid — en is dus niet per se negatief. Samengenomen kunnen deze resultaten helpen bij het ontwikkelen van psychologische interventies en beleid dat is gericht op het versterken van de toewijding aan sociale verandering onder onwaarschijnlijke bondgenoten — namelijk degenen voor wie de huidige situatie het meest gunstig is. Wanneer het doel bijvoorbeeld is om het aantal vrouwelijke hoogleraren te verdubbelen, dan creëer je hiervoor meer steun onder mannelijke collega’s door aan te geven dat gendergelijkheid in de wetenschap een moreel ideaal is, waar we samen naar streven in plaats van een verplichting die we dienen na te komen.