Computertaal als tweede taal

Een mythe die rondwaart door Nederland is dat de kinderen van tegenwoordig allemaal zo ontzettend handig zijn met computers. Dat is geen typisch Hollandse ziekte voor zover ik kan zien: ook in de rest van de wereld vinden we louter whizzkids. Die indruk ontstaat waarschijnlijk doordat we kinderen en jongeren voortdurend redelijk adequaat met hun mobieltjes en tablets zien omgaan. De broze beheersing van het aanklikken van icoontjes en wisselen van tabbladen in een browser suggereert echter meer kennis dan er is. Kinderen en jongvolwassenen zijn helemaal niet beter op de hoogte van wat er zich in de software achter de kleurige digitale metaforen van vensters en knoppen afspeelt. Kennis van de werking van digitale hardware ontbreekt meestal geheel, wat meteen zichtbaar wordt als de router door de kabelmaatschappij met het prettige alles-in-één-pakket weer eens aan het updaten is en de verbinding met het internet wegvalt. Niemand in het gezin begrijpt waarom het internet kapot is. Ontegenzeggelijk zijn jongere generaties ettelijke slagen beter in het spelen van computergames en simulaties. Al evenzeer zijn ze beter getraind in de omgang met grafische interfaces. En zolang de routines tot de juiste resultaten leiden, werkt dat allemaal prettig. Maar zodra de achterliggende software of hardware een probleem veroorzaakt, weten op dit moment minder mensen dan vroeger wat er daadwerkelijk gebeurt.

De schuld hiervan heet interface. De grafische schil en touch screens die een semi-intuïtieve toegang bieden tot software en computers zijn naast een prachtige gebruikersvriendelijk oplossing ook een schitterend probleem. Meer dan ooit schermt design de eigenlijke technologie af. Het evidente voordeel is dat daardoor meer mensen computer literate zijn. Meer mensen dan ooit kunnen YouTube, Google, Facebook en WordPress gebruiken. Maar zulke 'black box' technologie zorgt er ook voor dat steeds minder mensen weten hoe online streams, search engine algoritmes, netwerktopologie, modellering van digitale data en interne logica werken.

In een wereld waarin steeds meer gebruiksobjecten in feite knap verpakte computers zijn, is dat een probleem. We rijden in computers, we vliegen in computers, een gehoorapparaat is een computer die je in oor doet. We doen ons werk erop, we vermaken ons ermee en een computer beademt ons tijdens een noodzakelijke operatie. Maar terwijl ons leven steeds meer gevuld en – vergis je niet – zingegeven wordt door computers en software, zijn er steeds minder mensen die de principes van computers en software daadwerkelijk doorgronden.

De met veel bravoure aangekondigde iPad-scholen zullen hier niets aan helpen. Met zulke scholen leg je de focus juist op de knoppen. Die zijn volgend jaar alweer veranderd. Kennis van en kritische omgang met nieuwe media is natuurlijk van belang. Wat óók belangrijk is, is algoritmisch denken, logica en de toepassing van computertalen. Als moderne extrapolatie van rekenen en wiskunde zouden deze geïntegreerd moeten worden in het onderwijs. En dat begint bij het basisonderwijs. Laten we niet opnieuw de fout maken ons te laat te realiseren dat techniek zo vroeg mogelijk aangeboden moet worden. De techneut van morgen is een digitale techneut. Die mensen opleiden begint gisteren.